Beste Jeanne,
​
‘Dingen die niet hoeven te stollen of worden vastgezet’, zei je in een interview in 2023. Precies daar vind ik mijn vuurtje in het artistieke proces. Ik vraag me af hoe ik dat aanwakker in een afstudeerjaar waarin ik een theoretisch eindonderzoek en een beeldend eindwerk moet afleveren. En begrijp me niet verkeerd: ik kijk ernaar uit af te studeren, maar dan bij voorkeur wel in een vrije, onderzoekende ruimte. En een stolling komt er wel, maar zie ik altijd graag meer als een komma dan een punt. Meer als een tussenin of zelfs een nieuw begin dan als een eind. Waar ik weerstand voel, is in het vooraf uitdenken wat de richting van mijn onderzoek en eindwerk zullen zijn om dat vervolgens te gaan uitvoeren. Zit er niet minstens zoveel waarde in verkennend dwalen en van daaruit iets laten ontstaan, al doend ontdekken waar het nu echt over gaat?
Juist nu ik me na de eerste jaren studie zelfverzekerd voel in het onzekere, onbekende, instabiele van het artistiek-educatieve proces, moet ik me vastzetten in richtlijnen van een onderzoek. Nu weet ik heel goed in welk veld ik me wil begeven (dat van ‘dwalen’), maar ik zie niet zoveel zin in vooraf dicteren welke richting mijn onderzoek zal hebben. Veel interessanter vind ik het mijn gekozen veld te gaan verkennen, kijken welke stemmen in daarin tegenkom. Stemmen die me wellicht iets anders vertellen dan ik had gedacht of verwacht. Of ze nu menselijk of meer-dan-menselijk zijn. Ik wil ze laten spreken en mede mijn koers laten uitzetten. Ik vind aansluiting bij jouw verbintenis om tijd in een gebied door te brengen als onderzoek.
In jouw projecten lees ik aandacht voor continu leren, ruimte voor de veelvuldigheid. Hoewel, inmiddels zie ik in dat het niet jouw projecten zijn, maar projecten waarin jij misschien de initiator maar vooral deelnemer bent. Tegelijkertijd vind ik het ook moeilijk grip op ze te krijgen. (Nu ik het zo opschrijf, denk ik: grip krijgen? Dat is nu precies niet waar het om gaat.) Misschien juist wel omdat ik er geen deel van ben, maar aan de zijlijn sta. Ik had bedacht dat het heel leerzaam zou zijn als ik een keer een dag mee kon ervaren, als een vlieg op de muur. Leerzamer dan een interview waarbij ik vooraf bedenk wat ik te weten wil komen, en daarmee de richting van het gesprek bepaal. In een meeloopsituatie leer ik vanuit jou over het proces en dat leek me waardevoller. Maar na het interview snap ik het: ik kan pas echt ervaren als ik als inhoudelijk betrokken individu meedoe en medemaker ben. Dat kan niet in een dag of een vastgesteld momentje. Dat vraagt om overgeven aan het proces, aan loslaten van mijn eigen veronderstellingen. En om je eigen ‘deel zijn’ te onderwerpen aan onderzoek.
Op de academie ervaar ik vaak dat er een (persoonlijke) overtuiging wordt uitgedragen en soms ook gevraagd. Maar ik voel geen behoefte mijn gedachten of overtuigingen over het voetlicht te brengen. Veel zinvoller, interessanter vind ik het om ruimte te maken voor wat ik nog niet weet. Voor andere inzichten en daar zelf door geraakt en beïnvloed worden. Inzichten, processen en materialen die niet de idealen van maakbaarheid, stelligheid en efficiëntie voeren, maar daar op een zachte manier tegenin gaan. Meer dan een maker, zie ik mezelf als iemand die voorstelt waar ook aandacht voor kan zijn. Als het al over mij zou gaan, dan is dat vooral ingegeven vanuit mijn vraag hoe ik me op een luisterende manier kan verhouden tot de wereld in plaats van mee te gaan in het controlerende ideaal. Mijn onderwerpen zijn anders dan die van jou en niet altijd menselijk. Het doorlopen van mijn artistieke proces zie ik als een oefening in luisteren naar wat er om mij heen is, mijn eigen wil loslaten en wat ik om mij heen vind stem geven.
Vorig jaar volgde ik een specialisatieprogramma, waarbij onderweg zijn een nadrukkelijke component was. Ik begon me steeds meer af te vragen wat mijn makerschap eigenlijk is als ik me onderweg overgeef aan het ont-navigeren. En dus iets of iemand anders laat bepalen waar mijn aandacht naar uitgaat. De inzichten die ik daar opdeed, leidden tot de conclusie dat ik me misschien meer artist-curator voel, met als verantwoordelijkheid ruimte te maken voor het andere. Maar hoe ik doe ik dat op een inclusieve manier? Als mijn aandacht wordt gevangen door niet-menselijke objecten en materialen die ik onderweg ontmoet? Hoe leg ik hen niet mijn wil op, maar laat ik hen bepalen? Hoe luister je naar iets (of iemand) die niet terugpraat, die spreekt in de taal die je kent? Ik denk dat ik veel kan leren van jouw praktijk waarin het leren spreken van elkaars taal, elkaar leren verstaan door te luisteren een essentieel aspect lijkt te zijn.
Zoals ik eerder in mijn brief al schreef, wilde ik je vragen een dag mee te mogen ervaren. Maar in het schrijven van deze brief heb ik misschien nog wel iets veel waardevollers ervaren: het was een oefening in leren luisteren naar iemand die niet terugpraat, die spreekt in een taal die ik nog niet ken maar wel graag wil leren. Daarom een ander verzoek: ik hoop dat ik je binnenkort nog eens een brief mag schrijven?
​​
Hartelijks, Petra
​
​
​===
​
Beste Jeanne,
​​
Je was de eerste die ik ontmoette in mijn verkenning van relationele artistieke praktijken. (Ik noemde ze eerste ‘dwalende’ praktijken, maar ontdekte dat wat ze - de praktijken van kunstenaars die niet zelf sturing geven aan een proces maar zich overgeven aan wat ze ontmoeten of tegenkomen - gemeen hebben het relationele is. Net als jij gaan deze kunstenaars een wederkerige relatie aan met wat voor hen ligt.) Jij was degene die me bracht tot het idee van meelopen om te ervaren vanuit de praktijk. Tot het vervolgens verwerpen van dat idee, omdat je me liet inzien dat een dag meelopen nog steeds een afstand betekent en geen onderdompeling.
In het laten verwerpen van het idee van meelopen, bracht je me tot het schrijven van brieven als methode om verbinding te maken met wie of wat ik tegenover me heb. Met het gedachtengoed van andere kunstenaars, denkers, entiteiten. (Inmiddels schrijf ik ook briefjes aan het mycelium waar ik mee samen werk). Brieven waarin ik tot de vondst kwam me 24 uur lang onder te dompelen in de ideeën, gedachten en werkwijzen van verschillende kunstenaars.
En toch, hoewel je aan het begin staat van de ontwikkeling van mijn onderzoek, ben je de laatste die ik nu echt ontmoet. Je noemt luisteren jouw materiaal en dat vond ik ingewikkeld. Hoe leer ik daarvan en hoe draag ik het luisteren en het ‘geluisterde’ over in mijn onderzoek en aan de opleiding? Kom ik daarmee weg? Nee, dacht ik toen nog. De ontmoeting met jou stelde ik uit. Maar (onder andere) via Miranda July, Moyra Davey, Lenn Cox, Vinciane Despret en een ontmoeting met mycelium, Stella, Lucas, Matthieu en Miriam denk ik nu: ja, ik ben er klaar voor. En dat ik via iets anders (auto-etnografische notities, objecten, foto’s, geluidsfragmenten, …) mijn luisterervaringen zal overdragen, doet niet af aan het gegeven dat het luisteren voor deze 24 uur mijn materiaal kan zijn.
Met veel anderen, denk ik, ben ik geneigd aan materiaal te denken in termen van kunnen zien en aanraken. Maar dit is ander-zintuiglijk materiaal. Je kunt het horen, je denken verwerkt het en je lichaam reageert of interacteert, verwerkt het tot materiaal. Het brengt me bij een vraag die een docent me ooit stelde: is jouw denken ook maken? Als denken aanzet tot het vormen van een nieuwe gedachte, ja, dan is denken het materiaal waar de nieuwe of veranderde gedachte uit bestaat. En het luisteren op zijn minst grondstof voor, zo niet het primaire materiaal. Luisteren beschouwen als materiaal is ook aandacht verlenen en respect tonen aan wie of wat je ontmoet. Luisteren is relationeel.
De 24 uur lange onderdompeling in jouw gedachtenwereld vond ik achteraf beschouwd een uitdaging. Omdat jouw praktijk zo verbonden is met mensen en instituten, was het lastig hier vanuit mijn eigen ruimte - waar ik des te meer aan gekluisterd was door een griepje - op jouw wijze invulling aan te geven. Ik focuste op de activiteit van het luisteren en het echoën, zoals jij dat zo mooi noemt. Ik gaf antwoord op de vraag: ‘wat heb je nu eigenlijk gehoord’ in de vorm van dagboeknotities en mijn handen die via kleine kleisculpturen verbeeldden wat ik hoorde. Vooral de kleiobjectjes waren een vondst, omdat ze me de luisterervaring opnieuw lieten beleven in het navertellen.
Jouw manier van het collectieve samen werken (twee woorden) ervaarde ik op een later moment, bij een workshop in Parijs. Onder leiding van Aléa, een kunstenaarsduo, leerde ik samen met Lucas en Matthieu hoe het is om met mycelium te werken. Ik gebruik nu het woord ‘leiding’ maar al heel snel ontstond een samen werken (twee woorden) aan mogelijkheden om mycelium ruimte te geven. We wisselende vragen uit, verkenden ideeën, pasten ze aan, werkten ze uit, probeerden wat, keken en luisterden naar elkaar en naar wat er gebeurde. Stella en Miriam (het Aléa-duo) deelden als lokale experts hun ervaringen met mycelium, en deden tegelijk mee in het proces van verkennen en vragen stellen. We vormden met elkaar een interactieveld. ‘Mijn’ onderzoeksvraag werd ‘ons’ samen werken en een gedeelde ruimte. Op de terugweg in de metro echoden Lucas en ik wat we nu eigenlijk hadden gehoord.
Of ik nu echt jouw praktijk heb kunnen mee-ervaren? Ik denk het niet. Maar door me zo’n lange tijd te verdiepen in jouw aanpak, heb je me laten inzien wat een werkelijk relationele artistiek-educatieve praktijk betekent en kan inhouden. De relatie ontstaat in bescheiden bewegingen van onderdompelen, luisteren en gewoon doen. In het moment aangaan van een interactie met wie en wat je voor je hebt, afwachten waar het je brengt en meebewegen met wat vervolgens nodig is. Het zijn bewegingen en gebaren die passen bij mij, die ik als vanzelf doe. Het relationele aspect van mijn praktijk gaat alleen meestal niet over mensen, maar over materialen en objecten. Het dwalen, zoals ik het graag noem, is een onderdompelen, aftasten, verkennen, luisteren naar wat er voor me ligt en om me heen is. Dat is van belang.
​
Hartelijks, Petra