top of page

Beste Lenn, 

​

Al een paar keer werd jouw naam genoemd toen ik vertelde over mijn onderzoek. Dwalen en van daaruit vondsten doen vormden de inzet en taal en woorden hebben mijn interesse maar kan ik nog niet goed plaatsen in mijn eigen praktijk. Ik denk dat dit (of combinaties of afgeleiden ervan) de triggers waren om jouw naam te noemen. 

 

Inmiddels is mijn onderzoek geworden tot een dwaaltocht op zichzelf, waarbij ik eerder een veld aftast en luister naar de verschillende stemmen die ik daarin vind. Dat is het meer dan dat ik doelgericht een pad bewandel en intussen mijn onderzoeksvragen beantwoord. Eerlijk gezegd lijkt het alsof mijn onderzoeksvragen zijn verdampt, opgelost in een wolk. Het leek even verkeerd, niet efficiënt, niet voldoend aan de door de opleiding voorgestelde richtlijnen. Even leek het of ik de grip kwijt was en voelde de wolk als een mist. Maar steeds meer realiseerde ik: om te dwalen - en als dat is waar ik in geloof voor het maken van creatieve ruimte voor verbeelding en het leren zien van andere mogelijkheden om in de wereld te staan - dan is het loslaten van grip juist de bedoeling. En vanaf dat moment voelde de wolk als omhullend. Ik begeef me in een veld waar ik kan vertoeven. Waar ik mijn plek kan vinden. Ik probeer niet oordelend te luisteren naar de stemmen die ik tegenkom en laat me leiden door toevallige (of niet-intentionele) ontmoetingen. Ontmoetingen met teksten, artistieke uitingen, video- en geluidsfragmenten, denkers, schrijvers, makers. En hoewel de stemmen die ik ontmoet niet volledig willekeurig zijn - ik begeef me immers in een veld - probeer ik ze te verstaan vanuit het nieuwe, andere, onverwachte dat ze brengen. 

 

Behalve interessante teksten, kwamen en komen er ook praktijken van kunstenaars op mijn pad. Mijn insteek was aanvankelijk ze te analyseren en tot methoden te komen ‘waar ik zelf ook iets mee zou kunnen in mijn eigen praktijk’. Maar hoe meer ik thuisraakte in het veld, hoe meer ik voelde dat het daar niet om gaat. Als ik een beweging op gang wil brengen (want dat is wat ik beoog met mijn artistiek-educatieve praktijk) dan moet ik eerst mijn eigen beweging leren begrijpen. Niet een ander uitmelken, maar vanuit mezelf eigen maken. Met die gedachten leek het me waardevol de artistieke praktijken niet te analyseren, maar ze mee te doen. En waar ik eerst dacht: ‘ik vraag om een dag mee te mogen lopen’, werd dat een 24 uur onderdompelen ‘in de geest van’ de voorliggende kunstpraktijk. Dat betekent: lezen van en over, kijken en luisteren, maar ook doen als de kunstenaar. Maar dan wel vanuit mezelf. Mijn eigen doen - in dit geval het doen van mijn onderzoek - begrijpen vanuit de artistieke praktijk van een kunstenaar. 

 

Nu sta ik aan het begin van mijn 24 uur met jou. En waar ik bij twee eerdere 24-uur-onderdompelingen de brief na afloop schreef, was het als vanzelf nu mijn start. Ik ben nieuwsgierig naar het ontdekken wat je precies doet en waarom jouw naam een paar keer werd genoemd. Ik ben benieuwd of ik die herkenning zelf ook ga vinden. Ik kom later nog bij je terug.  

 

 

11.01.2025

 

Dag Lenn, 

 

Mijn 24 uur met jou zitten er haast op. De herkenning heb ik gevonden, en ook de verschillen. Waar ik mijn eigene terugzag, voelde ik een aangename warmte. Een borrelend enthousiasme over jouw dwalende aanpak, het nemen van tijd en ruimte om een andere manier van zijn te ontdekken, de dagelijkse ‘dingetjes’ als vertrekpunt. En vooral: het doen, ergens instappen, mee doen. Maar vaak voelde ik het ook wringen bij het collectieve en vooral doelbewust samenkomen of samenbrengen van mensen tot een collectief. Hoe kan ik me daartoe verhouden vanuit mijn onderzoek? Is het vormen van een collectief van mensen een voorwaarde voor dwalen? Of om als artist-educator iets uit te dragen (want daar begint het soms wel op te lijken)?

 

Ik ben juist gefascineerd door individuele vondsten, door niet-intentionele ontmoetingen met iets of iemand die resoneren. Die iets tot stand brengen tussen jou en het andere zijn, een andere gedaante, beweging of tijd. Maar om daar te komen is ook ruimte nodig. Een beweging maken om ruimte uit te sparen in het doen. Ik moet denken aan het vogelterritorium van Vinciane Despret als een bemiddelend bouwwerk dat sociaal leven mogelijk maakt. Zij ziet het territorium eerder als een beweging, een constructie van gedragingen in een ruimte, dan als een vastomlijnde plek. Ik denk ook aan het buren (als werkwoord, naar het Franse neologisme voisiner) van Fernand Deligny. Niet echt samen-leven, maar in eenzelfde ruimte leven waardoor entiteiten elkaar op een toevallige wijzen kruisen. In beide gevallen is het samenkomen niet de intentie, maar wel een bijkomstigheid. De beweging brengt bij elkaar. Is dat ook collectief? 

 

Hoe ik me kan verhouden tot het collectieve? Ik weet het antwoord nog niet. En misschien is het ook wel een resonerende vraag die geen antwoord nodig heeft, maar soms gesteld moet worden om mezelf op koers te houden in het dwalen.

​

Hartelijks, Petra

​

​

​

​

bottom of page