Beste Moyra,
​
Mijn voornemen was je een brief te schrijven, maar zoals me wel vaker overkomt, dwaal ik af zodra iets op een bepaalde manier ‘moet’. Ik heb net, als een zelfbenoemd project, 24 uur in de geest van jouw werk doorgebracht. Tussendoor deed ik mijn dagelijkse dingen - eten, even naar buiten, slapen, douchen, aankleden - maar een etmaal was toegewijd aan jouw boeken, essays, video, foto’s, interviews, en vooral: jouw manier van doen. (Op dit moment staat er nog precies 2:48:33 resterende tijd op de teller.) Niet om jouw werk te analyseren, maar om te ervaren hoe het is om op jouw manier te werk te gaan. Om ergens middenin in te stappen en me te laten leiden door gevonden objecten en fragmenten, zonder schroom voor betekenisloosheid of effectieve samenhang.
Maar goed, mijn voornemen was dus een brief te schrijven. En nu merk ik dat ik niet goed weet waar mijn brief over zal gaan. Ik heb zoveel ontdekt, zoveel verzameld, dat het even een kleine janboel is in mijn hoofd. Vanochtend las ik jouw essay Notes on Photography & Accident en voelde me getriggerd door de fragmenten over note-taking (Barthes, Benjamin). Als ik lees, doemen er vaak herinneringen of referenties op aan andere teksten, andere momenten, andere mensen of dingen. Flarden van zinnen blijven hangen, resoneren. Ik schrijf ze op een vodje, maak een snapshot en highlight de zin. Maar vervolgens laat ik ze vervliegen, deze vondsten. Ik koester ze, maar heb geen systeem om ze te verzamelen. Ze raken kwijt en ik laat dat gebeuren. Vooral uit schroom, denk ik, om betekenisloos of verwarrend te zijn. Ze zijn niet van mij, dus wie ben ik om … Dan laat ik ze maar gaan, de mooie flarden. Ze liggen aan de basis van wie ik ben als artist-educator, maar ik kom er niet voor uit. Jij doet dat wel. Je manifesteert het note-taking als jouw werk. Leven als jouw werk waarin je leest, denkt, ziet, doet. Gewoon in jouw eigen omgeving. (Nu weet ik even niet hoe ik verder moet; ik pak het later op. Er staat inmiddels nog 2:33:37 op de teller).
(Ik vraag me af: moet ik me eigenlijk niet even voorstellen? Op z’n minst vertellen wat de insteek was voor mijn 24 uur-project.) Voor mijn afstuderen verken ik het doen van vondsten, dwalen en aarzelen. Het zijn - in de Westerse kapitalistische blik - inefficiënte manieren of processen om ergens niet te geraken. In het verdiepen (lezen, kijken, luisteren naar stemmen die ik tegenkom in het veld; Joseph Vogls aarzelen, Fernand Deligny’s dwalen en niet-willend zijn, Ursula Le Guins fictie als draagzaak van verstrengelde - verzamelde - dingen, bijvoorbeeld) doe ik vondsten die me ergens anders brengen. In plaats van dichterbij antwoorden op mijn onderzoeksvragen, vraag ik me steeds meer af of mijn onderzoeksvragen wel de juiste zijn. Of ik überhaupt wel onderzoeksvragen moet (vast)stellen. Een onderzoeksvraag geeft al richting en gaat ervan uit dat ik het antwoord in die richting kan vinden. Terwijl het laten leiden door vondsten, door stemmen die ik ontmoet nieuwe vragen opwerpen. Vragen waar ik nog niet bij stil had gestaan. Of misschien zelfs geen vragen maar verwondering over iets dat is. Is dat niet veel betekenisvoller? De opening van een ruimte voor potentieel? Dit druist natuurlijk in tegen de richtlijnen van onderzoek en onderzoeksverslag die ik van de opleiding heb gekregen. Hoe vind ik hierin ruimte? Ik ga te rade bij kunstenaars die aarzelen, dwalen en meevoeren op vondsten tot hun werk hebben gemaakt. Kunstenaars die inefficiëntie manifest maken: Miranda July (beginnersmentaliteit), Jeanne van Heeswijk (luisteren als materiaal), Lenn Cox (maken in het onderweg zijn), en jij. (Nog 2:07:02 op de teller.)
(1 uur, 14 minuten en 15 seconden resteren.) Wat ik vergeet te vertellen is dat ik word opgeleid tot artist-educator: een docent met ervaring in de beeldende praktijk, een kunstenaar die ook kennis heeft van educatie, of een mengvorm op dat spectrum. Zelf zie ik het liever als een kruispunt, een veld waar kunst, theorie en educatie elkaar continue ontmoeten, bevragen en uitdagen. Wat ik lastig vind aan het begrip educatie is dat het een connotatie van richting in zich draagt: tonen of overdragen wat de juiste, beste of gewenste weg of blik is. Educatie is gericht aan iemand, maar gaat ook altijd óver iets. Dat iets waar het over gaat, hoe je daarmee omgaat, hoe je dat behandelt, dat is voor mij van werkelijk belang. Het is een houding waarmee je doet en denkt. Steeds vaker denk ik dat cureren een woord is dat me beter past. Dat gaat namelijk over verzorgen (of: bedienen, behandelen, behartigen, bewaren, hoeden, koesteren, …). Het is hoe ik omga met vondsten die ik doe in teksten of op straat, hoe ik omga met de materialen in mijn maakproces. In het nog niet hebben van een vastgestelde betekenis en daarmee verbonden waarde cureer ik mijn fragmenten. Een artist-curator dus. In jouw manier van werken vind ik een aanmoediging om ervoor uit te komen. (De teller: 58:13.)
Een etmaal op jouw manier doen leert me dat het verzamelen en herhalen van fragmenten (in de vorm van lezen, erover praten) productief is. Een tekst, een gedachte, een object of ‘ding’ hoeft niet afgerond te zijn om iets te zijn. Om van betekenis te zijn in een ontmoeting met het fragment en een spoor achterlaten. Ik realiseer me dat mijn eigen onderzoek inmiddels ook sporen achterlaat, zonder dat ik heldere conclusies heb getrokken. In de loop van deze 24 uur vond jouw manier van documenteren een weg in mijn manier van doen. Alle mensen die ik in de loop van mijn onderzoek heb gesproken, de teksten die ik heb gelezen, ze hebben textuur gegeven aan mijn uitvoering van mijn onderzoek. Wat ik lees en hoor in jouw reflecties, en wat ik zelf ook steeds meer ervaar, is dat het doelbewust laten verleiden door toeval (happenstance) en dwalingen (dérive) verre van stuurloos is. Het is ook een keuze voor richting, namelijk een rizomatisch. Elke vertakking is gelijkwaardig en even sterk. En dat maakt dwalen mogelijk.
​
Hartelijks, Petra
​
​
​
​